Bodemleven

Begin 2021 verkent Platform DIS of een samenwerking met Bodemzicht gestalte kan krijgen. Daarin zal het bodemleven centraal staan. Bodemzicht is een regeneratieve demonstratieboerderij gevestigd op Landgoed Grootstal in Nijmegen. Bodemzicht verkent – voor het westen – nieuwe vormen van landbouw en wil ecologische en circulaire werkwijzen delen met geïnteresseerden.

Platform DIS – voor beeldende kunst en reflectie – ziet het zelf als een fluïde procesmatige entiteit dat via transactie met andere organismen en entiteiten evolueert. Regeneratieve boerderij Bodemzicht ontwikkelt gegronde en veerkrachtige landbouw vanuit circulariteit. Samen zijn zij geïnteresseerd om de kwaliteit van het bodemleven vanuit artistiek onderzoek, voor de duur van minimaal een jaar en in samenwerking met kunstenaars, wetenschappers en beleidsmakers te verkennen.

Hypothese
– complexe processen van transactie tussen diverse entiteiten (zoals atmosfeer, microben, klei, kip) leiden tot verrijking van levenskwaliteit van die entiteiten en hun omgeving, samen bodemleven genoemd;
– regeneratieve boeren werken holistisch, cyclisch en situationeel, waarbij meten van bodemkwaliteit volgens meer gestandaardiseerde/klassieke modellen niet adequaat is;
– meetinstrumenten om die complexe transactie in kaart te brengen dienen nog ontwikkeld te worden.

De vraag die zich hieruit ontwikkelt luidt:
Hoe kunnen regeneratieve boeren de kwaliteit van bodemleven op inclusieve wijze meten, rekening houdend met de human-bias die dit onderzoeken en de instrumenten met zich meebrengen?

Platform DIS en Bodemzicht denken dat juist kunstenaars en ontwerpers dit meten en het contact maken met bodemleven op andere wijze kunnen bevragen en benaderen, doordat zij een positie van buiten het veld innemen en daardoor belangeloos kunnen onderzoeken. Voor het ontwikkelen van experimenten, onderzoek, scenario’s e.d. om tot meten te komen is echter expertise waardevol van wetenschappers op het gebied van natuurwetenschappen (hoe werken de natuursystemen) en menswetenschappen (hoe leven wij samen). Tevens denken we dat beleidsmakers behulpzaam kunnen zijn, aangezien zij richtlijnen uitzetten van waaruit we handelen.

Two-slit diffraction pattern by a plane wave.

In de paragraaf Measurement matters, zet Quantum-fysica en denker Karen Barad uiteen welke kritiek Niels Bohr heeft op de klassieke epistomologische en ontologische aannames die zijn ontstaan in de verlichting, om te komen tot nieuwe inzichten over de verstrengeling tussen deeltjes, meetinstrument en alles hieromheen. Epistemologie staat kortweg voor kennisleer – de wijze waarop we kennis kunnen ontwikkelen, wat kennis is – en ontologie gaat over het ‘zijn’. Voor Bodemleven is deze kentering essentieel, omdat veel onderzoek nog vormgegeven lijkt te worden vanuit dit klassieke denken, hetgeen leidt tot geïsoleerd onderzoek naar ‘individuele entiteiten’. In Bodemleven proberen we juist de intra-actie te onderzoeken, hoe bodem leeft, waarmee er in bodem leeft, wat levenskwaliteit voor de bodem inhoudt en hoe we die kwaliteit kunnen meten.

Measurement matters: Bohr’s epistemological framework
“Classical epistemological and ontological assumptions, such as the ones found to underlie Newtonian physics, include the existence of individual objects with determinate properties that are independent of our experimental investigations of them. This accounts for the fact that the process of measurement is transparent and external to the discourse of Newtonian science. It is assumed that objects and observers occupy physically and conceptually separable positions. Objects are assumed to possess individually determinate attributes, and it is the job of the scientist to cleverly discern these inherent characteristics by obtaining the values of the corresponding observation-independent variables through some benignly invasive measurement procedure. The reproducibility of measured values under the methodology of controlled experimentation is used to support the objectivist claim that what has been obtained is a representation of intrinsic properties that characterize the objects of an observation-independent reality. The transparency of the measurement process in Newtonian physics is a root cause of its value to, and prestige within, the Enlightenment culture of objectivism.

Bohr called into question two fundamental assumptions that support the notion of measurement transparency in Newtonian physics: (1) that the world is composed of individual objects with individually determinate boundaries and properties whose well-defined values can be represented by abstract universal concepts that have determinate meanings independent of the specifics of the experimental practice; and (2) that measurements involve continuous determinable interactions such that the values of the properties obtained can be properly assigned to the premeasurement properties of objects as separate from the agencies of observation. In other words, the assumptions entail a belief in representationalism (the independently determinate existence of words and things), the metaphysics of individualism (that the world is composed of individual entities with individually determinate boundaries and properties), and the intrinsic separability of knower and known (that measurements reveal the preexisting values of the properties of independently existing objects as separate from the measuring agencies). Let’s examine the role of these assumptions in detail and consider Bohr’s specific challenges to them.”

Barad, K. (2007). Meeting the Universe Halfway. Quantum Physics and the Entanglement of matter and meaning. London: Duke University Press. (p.106-107)

DescriptionSuper-Kamiokande is a neutrino observatory located under Mount Ikeno.
Zie een artikel over deze bijzondere locatie en observatorium.

[…] “we are part of that nature that we seek to understand. Bohr argues that scientific practices must therefore be understood as interactions among component parts of nature and that our ability to understand the world hinges on our taking account of the fact that our knowledge-making practices are social-material enactments that contribute to, and are a part of, the phenomena we describe.” (Barad, 2007, p. 26)

James Turrell (2007). Skyspace. Yorkshire Sculpture Park

[…] “I hope my exploration will make clear that entanglements are highly specific configurations and it is very hard work building apparatuses to study them, in part because they change with each intra-action. In fact it is not so much that they change from one moment to the next or from one place to another, but that space, time and matter do not exist prior to the intra-actions that reconstitute entanglements.” (Barad, 2007, p. 74)

The layers of the earth in a clay pit. Afb. via revitalization.org.

Barad uit kritiek op ons klassiek idee van interactie, waarin uitgegaan wordt van afzonderlijke individuele wezens die voorafgaan aan hun interactie. Intra-action erkent dat verschillende acterende ‘dingen’ of subjecten (agencies) niet voorafgaan aan, maar eerder voortkomen uit hun intra-actie. Intra-actie gaat over dynamiek van krachten waarin alle ‘dingen’ continue uitwisselingen ontwikkelen, uitwaaien en zich onafscheidelijk gedragen. Als we de bodem bestuderen, zoals we binnen Bodemleven willen doen, en meer specifiek de kwaliteit, dan zullen we de kwaliteit van intra-actie moeten door’gronden’.

12-inch. repetitiecircel van Jean-Charles de Borda. Gemaakt rond 1791 door instrumentenbouwer Etienne Lenoir.

Het instrument repetitiecirkel werd gebruikt voor driehoeksmeting in de periode net na de Franse Revolutie van 1789, in de hoogtij van de Verlichting. In de periode voorafgaand aan de revolutie waren er zeer veel meetinstrumenten en maten in omloop, die als een dialect per regio verschilden. De Fransen zochten naar een universele maat: de meter. Een product voor de markt en voor het in kaart brengen van land. Eén van de ideeën was om een handzame afgeleide eenheid te maken van de omtrek van de aarde: de meter, het tienmiljoenste deel van de omtrek van de aarde. Voor het vaststellen van de maat werd een team samengesteld dat geodetische driehoeksmetingen zou gaan verrichten (een merediaanmeting) tussen Duinkerke en Barcelona. Deze triangulatie is nodig om tot een rechte lijn te kunnen komen. Hoe Jean-Baptiste Joseph Delambre en Pierre Méchain de metingen op heuvels en in kerktorens uitvoerden is beschreven in het boek met de veelzeggende titel ‘de maat van alle dingen‘, een zevenjarige zoektocht naar de universele meter, geschreven door Ken Alder.

Je kunt je voorstellen dat als de meter eenmaal ontwikkeld is, deze standaard ietwat krimpt of uitzet door foutieve metingen of materiaaleigenschappen van de Metre des Archives, waardoor de maat aller dingen wijzigt. De standaard maat illustreert de standaardisatie en de wil van West-Europa om alles te willen ‘bepalen’.

KNMI Research. Satellite Observations.

Het krimpen en uitzetten van de meter laat zien dat niet enkel het materiaal waaruit de meter gemaakt is, maar ook de condities waarin die meter verkeert de standaardisatie beïnvloeden. De meter is situationeel. Dat geldt ook voor de sociaal-culturele setting waarin de meter gehanteerd wordt. Het is een westers model dat andere vormen van meten kan buitensluiten.

Het Nieuwe Instituut stelt dat we vanuit een zwerm van instrumenten onderzoek dienen uit te voeren en dat die instrumenten gekalibreerd dienen te worden. Zoals diversiteit van stemmen leidt tot inter-subjectiviteit in waarneming. Deze werkwijze wordt benoemd binnen het project: Measuring The Ecological Development Of A Zoöp. De context van de uitspraak is het meten van de kwaliteit van de zoöp. Het Nieuwe Instituut initieerde bij monde van Klaas Kuitenbrouwer het Zoöp-project (een nieuwe vorm van coöperatieve wettelijke entiteit die lidmaatschap verleent aan mensen en andere levende organismen). Het begrip zoöp is een samenstelling van het Griekse zoë [leven] and co-operation [samenwerken: zelforganisatie van belanghebbenden]. Het project baseert zich op praktijkonderzoek in ontwerp en toepassing van nieuwe soorten van wettelijke formats van samenwerking tussen mensen en collectieve gemeenschappen van ‘nonhumans’, met als idee om ecologische regeneratie te steunen. Deze wijze van denken over ontwerp, kan het project Bodemleven wellicht verrijken met het ontwerpen van nieuwe vormen van meten van bodemkwaliteit. Als we als mens samenleven met andere ‘bewuste en niet bewuste levensvormen’ (van pier tot bewolking) en we willen die intra-actie meten, dan is het leren denken vanuit een zoöp essentieel. In het meten komen filosofie, beleid, onderzoek en samenwerking tussen allerlei ‘inter-subjecten’ samen.

Het meten van de complexiteit van intra-actie in en rond bodemleven vraagt niet zozeer om een standaard, maar om een verkenning van oude werkwijze, reeds bestaande processen die enkel zeer lokaal bekend zijn en nieuwe ontwikkelingen waarachter ander pragmatisme of een andere levensfilosofie schuilgaat.

Hoe kunnen regeneratieve boeren de kwaliteit van bodemleven op inclusieve wijze meten, rekening houdend met de human-bias die dit onderzoeken en de instrumenten met zich meebrengen?

Hoe kan artistiek onderzoek

nieuwe inzichten geven,

en mensen meenemen,

in het belang van

bodemkwaliteit gezondheid?


“If material emerges from our apparatus, they would be closely paired in one-to-one relations: our apparatus, our material. We leave aside the material reacting across it’s varied components; we leave aside nonhuman relational apparatuses. Some of this problem is addressed in the scholarly turn to multiplicity, which shows us multiple knowledge apparatuses acting simultaneously. Yet as long as human knowledge apparatuses continue to make up the frame through which we know multiplicity, nonhuman makings never enter.”

Uit: Anne L. Tsing. When the Things We Study Respond to Each Other. Tools for Unpacking “the Material”, p. 016. In: Jacque, Otero Verzier, Pietroiusti. More than Human. 2020.


Zou de hermafrodiete rondworm C. Elegans ons willen helpen met ons artistiek onderzoek naar nieuwe vormen van meten van bodemkwaliteit?

“I cannot write contours into pre-existing units. Instead, I watch gatherings of “ways of being.” Species identification can be a good clue to the ways of being of living things, but it’s not the only one. We know this well for humans. Farmers and scientists “do” landscapes differently, despite common species, because of their ways of being, which are shaped by habits and legacies we gloss as “culture” and “historie”. Habits and legacies are equally relevant to the lives of other species. An organism in one environment may be a peaceable companion to it’s neighbours; out of that setting, it may become a virulent destroyer. Species identifications are not enough to know such ways of being, which draw me into environmental histories and microecologies.” (Idem, P. 022.)

“The material [a cloud, earthworm, an analysis, mineral, fungi] becomes multiple, and it’s components are engaged in their own constitutive interrelations.” (Idem, P. 021.)

Anna L. Tsing maakt hier gebruik van het gedachtengoed van Karen Barad, die stelt dat materie zoals organismen of kleiafzettingen, geen op zichzelf staande (liggende : ) entiteiten zijn, zich ontwikkelend vanuit een autonoom zelf, maar voortkomen vanuit het materiaal en daarin opgenomen interacties. En omdat een aardworm voortkomt uit aardwormen, mineralen, regenval, fungi en zo voorts. kunnen we hen zien als multiple, als inter-vidu (Henk Oosterling), een tussen/deelbaar-wezen.

Vanuit die optiek kunnen wij ons ‘zelf’ verkennen als samengesteld wezen dat positief wederzijds afhankelijk is.

Alexander von Humboldt’s Tableau Physique uit 1807 uit de centrale bibliotheek in Zurich, waarin vegetatie en hoogte tezamen in kaart gebracht worden.

“De natuur is een levend geheel,” verklaarde hij later, “geen werkeloze massa stenen.” Stenen, planten, dieren en mensen waren allemaal van één scheppende kracht doortrokken, en het was deze ‘wijdverbreide overvloed des levens” waarvan hij het meest onder de indruk was. Zelfs de atmosfeer droeg een begin van leven in zich: stuifmeel, insecteneitjes en zaden. Het leven was overal en er waren “onophoudelijk organische krachten aan het werk”. Humboldt was niet zozeer geïnteresseerd in het ontdekken van nieuwe, losstaande feiten, als wel in  het aanbrengen van verbindingen. De waarde van de afzonderlijke verschijnselen lag uitsluitend in hun relatie tot het grotere geheel, zo schreef hij. 

Uit: Andrea Wulf: De uitvinder van de natuur. Het avontuurlijke leven van Alexander von Humboldt. (2015)

Von Humboldt schreef in het begin negentiende eeuw niet enkel over de schoonheid van natuurfenomen maar ook over de verwoesting door het kolonialisme in Zuid-America, over zowel de ecocide door het aanleggen van plantages als over het tot slaaf maken van medemensen. Von Humboldt studeerde fenomenen op microniveau om systemen op macroniveau te doordenken, in beeld te brengen en te bekritiseren.

Oriëntatie
We groeien in het Westen op en daarmee met een Westerse sociaal-culturele bril, waarvan we niet meer weten dat we er een dragen. Dit transparante raam zorgt voor inzichten, maar leidt ook tot blinde vlekken. Zo werkt het. Alternatieven blijven buiten beeld. En zoals eeuwenlange ervaring in omgaan met bodem als productiefenomeen het Westen blind maakt voor alternatieve vormen van bodemleven, zo werkt dat ook met meer abstracte begrippen en ideeën zoals tijd en plaats en jouw oriëntatie op de wereld.

James Cook (18e eeuw) hanteerde kaarten om te navigeren op zee. Deze kaarten zijn een instrument dat westers is. Scheepvaarders uit het Westen bezien de wereld vanuit het perspectief van de gehele aardbol, vanuit coordinaten van breedtegraden (hoek tot hemellichamen, zoals de zon) en lengtegraden (uitvinding) voor precieze meting door John Harrison op driekwart van de 18e eeuw, de chronometer). Deze methode wordt ook wel objectief genoemd. 

Cook vaart ondermeer in Polynesië (1768 – 1779). Polynesiërs varen niet middels coördinaten, maar vanuit hun ‘persoonsperspectief’. Ze varen niet naar een eiland toe, maar “vissen een eiland op, vanaf de horizon”, zoals Lucas Brouwers beschrijft in podcastaflevering #154 van Onbehaarde Apen. Als de wind zo hard is dat het niet goed lukt om het eiland te benaderen, dan is het eiland ‘afgezakt’. Hele praktische fenomenen, zoals een vogel met een vis in de bek, geven richting aan. De vogel vliegt zeer waarschijnlijk naar land om jonge te voeden, en niet naar zee. Denk ook aan het kunnen waarnemen van getijdenstromen.

Een kaart van Cook van New South Wales uit 1770, waarop het gebied middels coördinaten in beeld gebracht is.

De Polynesische navigator Tupaia werd door Cook gevraagd om hem te helpen navigeren op zijn schip de Endeavor. Hier kwamen twee systemen samen die Tupaia probeerde in een vertaling samen te brengen in een kaart. Tupaia neemt niet het systeem over van de Westerse geografie, maar probeert ervaringen van navigatie door Polynesiers als het ware in te passen in de kaarten van Cook. 

Hoe de kaarten van Tupaia gelezen dienen te worden is recent herontdekt door twee Duitse literatuurwetenschappers. Interessant hieraan is enerzijds dat juist de ‘vertaling’ essentieel is geweest voor de herontdekking van de notatie wijze van Tupaia. De Duitse onderzoekers dachten vanuit vragen als: hoe worden verhalen verteld, hoe komen de kaarten tot stand? En dat zijn goede vragen, aangezien Polynesiërs routes onthouden en doorgaven via verhalen of liederen. En juist de volgordes van navigatie spelen een rol in de vertaling die Tupaia maakte om twee systemen van waarnemen en navigeren samen te brengen. Anderzijds is het opvallend dat de kopieën van de kaarten  in Duitsland terecht gekomen zijn – de originele kaarten zijn onvindbaar – waardoor Polynesische wetenschappers geen kans hadden om de kaart te bestuderen en ‘uit te leggen’.

* Op de kaart van Tupaia wordt een eiland bijvoorbeeld meerdere keren afgebeeld, omdat de kaart ‘routes’ bevat. Je navigeert via eiland A naar eiland B, maar je kunt ook via eiland C naar B. Eiland B komt dan bijvoorbeeld twee keer op de kaart. Zo wordt een meer anekdotisch verslag verbeeld op een kaart, vanuit gedeelde ervaring IN het landschap.

Een kopie van de kaart die Tupaia ontwikkelde van een deel van een gebied in Polynesië.
Still, uit: How to take a soil sample (2011),
van Elaine Ingham en Gail Swithenbank.

Maria Puig de la Bellacasa schrijft in Soil Times. The Pace of of Ecological Care over Making Time for Soil (Care). Volgens Puig de la Bellacasa dienen we op nieuwe manieren te denken over en handelen in wat tijd is voor andere organismen en assemblages dan mensen. Mensen leven in andere tijdscondities dan bacteriën, fungi, bodem. We zullen naast een lineair perspectief een regeneratief seizoensperspectief moeten innemen. Onze omgang met bodem zullen we anders moeten ‘leven’, dan deze enkel te benaderen als drager van gewassen voor mensen (meer als ‘multiplication of soil functions’ [and soil being].

Halverwege Soil Times, verwijst Puig de la Bellacasa naar bodem microbioloog Elaine Ingham, die met informatieve en ook bewust komische instructiefilms probeert om het bodemleven toegankelijk te maken. In dit fragment (2011) instrueert Ingham hoe wij als leek met behulp van ‘really expensive high-tech piece of equipment called a apple corer’ een  sample uit de bodem kunnen nemen.